ECLI:NL:CRVB:2018:3842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling appèlverbod bij uitspraken belastingjaaropgaven
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam inzake belastingjaaropgaven. Appellante was niet verschenen tijdens de zitting, terwijl het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen zich liet vertegenwoordigen. De Raad oordeelde dat de aangevallen uitspraken onder artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht vallen, waardoor op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep mogelijk is.
De Raad bevestigde dat een doorbreking van het appèlverbod alleen kan plaatsvinden bij evidente schending van de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen, wat hier niet aan de orde was. Hoewel appellante bezwaar had ingediend bij de belastinginspecteur, was het niet doorzenden van bezwaarschriften geen zodanige schending dat het appèlverbod doorbroken kon worden.
De Raad verklaarde zich daarom onbevoegd en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is openbaar gedaan en bevatte een duidelijke motivering over het appèlverbod en de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd tot het behandelen van het hoger beroep vanwege het appèlverbod.