ECLI:NL:CRVB:2018:3856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat Nederland ingezetenschap behoudt tijdens detentie in Frankrijk voor AWBZ-verzekering
Appellant, geboren in 1966 en sinds 1991 woonachtig in Nederland, was tussen september 2011 en oktober 2013 gedetineerd in Frankrijk. Tijdens deze periode was hij uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie. Hij verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om zijn verzekeringspositie te onderzoeken, omdat hij bij niet-verzekering geen Nederlandse zorgverzekering hoefde af te sluiten.
De Svb stelde bij besluit vast dat appellant sinds 1991 verzekerd is voor de AWBZ en later de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat hij zijn ingezetenschap in Nederland niet had verloren. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij tijdens zijn detentie geen ingezetene meer was vanwege zijn intentie om naar Marokko te remigreren en het ontbreken van bindingen met Nederland. De Svb stelde dat appellant na detentie terugkeerde naar Nederland en dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor verlies van ingezetenschap.
De Raad oordeelde dat appellant gedurende zijn detentie een tijdelijke verblijfplaats in Frankrijk had, maar zijn woonplaats in Nederland behield. De intentie om naar Marokko terug te keren was niet gerealiseerd en onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde dat de Nederlandse wetgeving op appellant van toepassing bleef en dat hij gedurende de detentie verzekerd was voor de AWBZ.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant tijdens zijn detentie in Frankrijk woonplaats in Nederland behield en verzekerd bleef voor de AWBZ.