Betrokkene verzocht op 28 november 2011 om een WAZ-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) wees dit op 2 april 2012 af omdat betrokkene per einde wachttijd (13 maart 2004) niet meer dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 18 september 2012 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Gelderland oordeelde op 5 maart 2015 dat het arbeidsongeschiktheidspercentage per einde wachttijd onjuist was vastgesteld en stelde dit vast op 36,54%, waarna het bezwaar werd gegrond verklaard en vernietigd. Appellant ging tegen deze uitspraak in hoger beroep en stelde dat het percentage 26,75% bedroeg, passend bij een uitkering van 25 tot 35%.
Na nadere beoordeling en overleg erkende appellant bij brief van 19 september 2016 dat het percentage 29,53% is, en dat betrokkene vanaf 28 november 2010 recht heeft op een WAZ-uitkering binnen de klasse 25 tot 35%. Betrokkene stemde hiermee in.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak voor zover appellant werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, herroept het besluit van 2 april 2012 en bepaalt dat betrokkene met ingang van 28 november 2010 recht heeft op de WAZ-uitkering. Tevens wordt appellant veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten van €495.