ECLI:NL:CRVB:2018:3913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht AWBZ en Wlz tijdens detentie in België met behoud Nederlandse woonplaats
Appellant, geboren in 1991 en woonachtig in Nederland, verbleef van 14 november 2014 tot 4 juni 2015 in detentie in België. Hij vroeg de Sociale verzekeringsbank (Svb) om zijn verzekeringspositie tijdens deze periode te onderzoeken omdat hij zijn zorgverzekering niet kon stopzetten.
De Svb stelde dat appellant als ingezetene van Nederland werd aangemerkt en daardoor verplicht verzekerd bleef voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het onredelijk was om hem als ingezetene van Nederland te beschouwen tijdens zijn buitenlandse detentie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant weliswaar feitelijk in België verbleef, maar dat zijn woonplaats en het gewone centrum van zijn belangen in Nederland bleven. Dit oordeel is gebaseerd op de woonplaatscriteria uit Verordening (EG) nr. 883/2004 en nr. 987/2009, waarbij onder meer de duur, intentie en gezinssituatie werden meegewogen.
De Raad concludeerde dat de Nederlandse wetgeving op appellant van toepassing bleef en dat hij gedurende zijn detentie verplicht verzekerd was voor de AWBZ en Wlz. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verzekeringsplicht voor AWBZ en Wlz tijdens detentie in België blijft van toepassing.