ECLI:NL:CRVB:2018:4092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante heeft op 10 april 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende haar deze toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Appellante maakte bezwaar tegen de hoogte van de toeslag en stelde dat de toeslag van €50,- onvoldoende rekening houdt met verschillen in leefvorm, zoals gehuwden met kinderen versus alleenstaanden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat noch uit de wetsgeschiedenis van de Participatiewet, noch uit die van de langdurigheidstoeslag in de Wet werk en bijstand blijkt dat de wetgever een minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd of differentiatie naar leefvorm verlangt.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de keuze voor één toeslag voor alle leefvormen niet onredelijk is en dat de Verordening voldoende gemotiveerd is in relatie tot het armoedebeleid van Rotterdam. De Raad zag geen aanleiding om anders te oordelen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.