ECLI:NL:CRVB:2018:4146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geen recht op WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek wegens knieklachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-loonaanvullingsuitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid per 10 maart 2015 onder de 35% was gedaald, waardoor het recht op de uitkering verviel.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen correct waren vastgesteld. De rechtbank vond geen aanleiding om de bevindingen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige te betwijfelen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, met name dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met het gebruik van krukken. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat dit in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel degelijk was vermeld en dat er geen nieuwe medische informatie was die aanleiding gaf tot een ander oordeel.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante medisch gezien geschikt was voor de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante per 10 maart 2015 geen recht meer heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering.