Uitspraak
21 februari 2017, 16/4354 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak inzake de WIA heeft het bestuursorgaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tijdens de procedure heeft het bestuursorgaan besloten de loonsanctie te herroepen en het hoger beroep in te trekken, waarmee het zich neerlegt bij de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Betrokkene, vertegenwoordigd door een advocaat, verzocht om proceskostenvergoeding vanwege de gemaakte kosten in het kader van het hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot proceskostenvergoeding beoordeeld op basis van de schriftelijke stukken.
De Raad oordeelt dat bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan de eerdere uitspraak, inclusief de daarin opgenomen proceskostenvergoedingen, ongewijzigd blijft. De Raad veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 501,- voor verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door rechter B.J. van de Griend en griffier L.R. Carlier en is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2018.
Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van € 501,- aan proceskosten aan betrokkene wegens intrekking van het hoger beroep.