ECLI:NL:CRVB:2018:4161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving vanaf 3 oktober 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens lichamelijke en psychische klachten. Na een ziekmelding in 2014 en daaropvolgende onderzoeken wijzigde het UWV de uitkering in een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 61,26% per 1 mei 2015. Het bezwaar tegen deze beslissing werd in eerste instantie ongegrond verklaard en de uitkering ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Tijdens het beroep nam het UWV een gewijzigde beslissing waarbij alsnog een WGA-vervolguitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 68,62%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk en het beroep tegen de gewijzigde beslissing ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige rapporten als deugdelijk beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat, mede door medicatiegebruik en overschrijding van belastbaarheid in de geduide functies. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens dit niet ondersteunen. De rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zijn inzichtelijk en toereikend gemotiveerd, waarbij ook aspecten als samenwerken en deadlines geen overschrijding van belastbaarheid tonen.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.