ECLI:NL:CRVB:2018:4182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit geen recht meer op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was shopmanager en meldde zich ziek vanwege psychische en lichamelijke klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WIA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en berekende een arbeidsdeskundig onderzoek dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het UWV besloot daarom per 4 januari 2016 het recht op uitkering te beëindigen.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van medische rapporten waarin werd geconcludeerd dat zij de voorgestelde functies kon verrichten en dat er geen medisch noodzakelijke recuperatiebehoefte was. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over meer beperkingen en ongeschiktheid voor de functies, maar leverde geen nieuwe medische informatie aan. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 december 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.