ECLI:NL:CRVB:2018:4243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde bankstortingen zonder dringende redenen
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de terugvordering van bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college had vastgesteld dat appellant niet gemelde bijschrijvingen op zijn bankrekening had ontvangen, die als inkomen werden aangemerkt en in mindering werden gebracht op de bijstand.
De rechtbank Rotterdam had de terugvordering reeds bevestigd. Appellant voerde in hoger beroep voornamelijk dezelfde gronden aan als in eerste aanleg, met als extra argument dat er dringende redenen zouden zijn om van terugvordering af te zien. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze dringende redenen niet aannemelijk waren gemaakt. Dringende redenen vereisen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die uitzonderlijk en individueel afgewogen moeten worden.
Daarnaast benadrukte de Raad dat de tenuitvoerlegging van de terugvordering zodanig moet zijn dat appellant een inkomen behoudt gelijk aan de beslagvrije voet. Gezien het voorgaande werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet gemelde bankstortingen en wijst het beroep op dringende redenen af.