ECLI:NL:CRVB:2018:4244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bijstand toegekend op 50% norm wegens studerende partner en voorliggende voorziening
In deze zaak stond de hoogte van de bijstand voor appellante centraal, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam bijstand had toegekend op 50% van de gehuwdennorm. Dit hield rekening met het inkomen van appellant, die studeerde en aanspraak kon maken op studiefinanciering.
De rechtbank Rotterdam had eerder geoordeeld dat appellant op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c van de Participatiewet was uitgesloten van recht op bijstand vanwege zijn studiestatus en studiefinanciering. Het college moest bij de bijstand van appellante het inkomen uit studiefinanciering in aanmerking nemen volgens artikel 33, tweede lid, van de Participatiewet en het normbedrag uit artikel 3.18 van de WSF 2000.
Appellant had ervoor gekozen geen lening af te sluiten bij DUO tot het volledige normbedrag, maar dit deed niet af aan het feit dat studiefinanciering een voorliggende voorziening is zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Participatiewet. De Raad oordeelde dat het niet willen aangaan van schuld vanwege reeds bestaande schulden geen ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven oplevert op grond van artikel 8 EVRM Pro, mede omdat het ging om een beperkte korting op de bijstand.
Het hoger beroep werd verworpen en de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De bijstand is terecht toegekend op 50% van de gehuwdennorm rekening houdend met studiefinanciering als voorliggende voorziening.