Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:4271

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
3 januari 2019
Zaaknummer
17/6290 AWBZ-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:119 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij griffierechtbetaling

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet tegen een eerdere uitspraak waarin het verzoek om herziening niet-ontvankelijk was verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht. Het verzetschrift werd gedateerd op 25 april 2018, maar was pas op 4 mei 2018 ontvangen, waardoor de termijn was overschreden.

Verzoekster voerde aan dat de uitspraak laat was ontvangen doordat PostNL de post bij buren had bezorgd, wat de termijnoverschrijding zou verklaren. De Raad oordeelde echter dat de enkele verklaring van de vader van verzoekster onvoldoende was om het verzuim te verhelpen, mede omdat het poststempel op de enveloppe leidend is voor de datum van verzending.

Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter H.C.P. Venema en griffier M.A.E. Lageweg op 27 december 2018.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzetschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 december 2018
17/6290 AWBZ-V, 17/6294 AWBZ-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 juni 2017, 16/1277, 16/1280 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

CIZ

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54, in verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van 21 maart 2018 heeft de Raad het namens verzoekster door haar moeder, [naam moeder], ingediende verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard.
Namens verzoekster heeft mevrouw [naam moeder] verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 13 november 2018. Voor appellante is verschenen haar vader, de heer [naam vader]. CIZ heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 2 mei 2018. Het namens verzoekster ingediende verzetschrift is gedateerd op 25 april 2018, heeft een poststempel van 3 mei 2018 en is op 4 mei 2018 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus overschreden.
In verzet is aangevoerd dat de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 verzoekster laat heeft bereikt, omdat PostNL de uitspraak bij buren heeft bezorgd. Het heeft enige tijd geduurd voordat de buren de post op het juiste adres hebben afgegeven. Het verzet zou omstreeks
25 april 2018 en dus op tijd, zijn gepost. Ter zitting heeft de vader van verzoekster verklaard dat hij niet meer precies weet wanneer het verzetschrift is gepost.
De Raad is van oordeel dat namens verzoekster geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat van verzuim geen sprake is geweest. Volgens vaste rechtspraak (ook) van de Raad wordt bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan van het op de enveloppe geplaatste poststempel, tenzij de afzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. De enkele verklaring dat het verzetschrift omstreeks 25 april 2018 zou zijn gepost, is daarvoor niet toereikend.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.E. Lageweg

LO