ECLI:NL:CRVB:2018:4297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
9 januari 2019
Zaaknummer
17/5249 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in AOW-zaken afgewezen

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet tegen de eerdere beslissing waarin het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk was verklaard vanwege het niet tijdig aanvoeren van gronden binnen de gestelde termijn. Het verzet werd ingediend na de uiterste datum en was derhalve te laat.

Appellante voerde aan dat de eerste advocaat het dossier tijdelijk had overgedragen en niet op de hoogte was gesteld van de uitspraak en de verzettermijn, waardoor tijdig verzet niet mogelijk was. Ook werd gesteld dat een faxbericht om zich opnieuw te stellen niet door de Raad was ontvangen.

De Raad oordeelde dat het handelen of nalaten van de advocaat voor rekening van appellante komt en dat geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die verzuim konden rechtvaardigen. Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 december 2018
17/5249 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2017, 17/1641 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 24 november 2017 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. A.R. Kolthof verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 november 2018, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 24 november 2017 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de in de brief van 2 oktober 2017 gestelde termijn zijn aangevoerd en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 5 januari 2018. Het namens appellante ingediende verzetschrift is ontvangen op 12 juni 2018. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus - ruim - overschreden.
In verzet heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat hij de eerste rechtsbijstandverlener van appellante was. Hij heeft het dossier eind augustus 2017 wegens omstandigheden (tijdelijk) overgedragen aan een andere advocaat. Toen deze advocaat zich van het tableau heeft laten schrappen heeft hij de behandeling van de zaak weer overgenomen. Het dossier heeft hij eind december 2017 weer teruggekregen. Hij is daarbij niet in kennis gesteld van de uitspraak van 24 november 2017 en dus ook niet van de verzettermijn. Zou dit wel zijn gebeurd, dan zou hij vermoedelijk tijdig verzet hebben ingesteld. Hij heeft voorts op 3 januari 2018 een faxbericht voor de Raad gereed gemaakt om zich opnieuw te stellen. Dit stelbericht is door onbekende redenen niet door de Raad ontvangen. Had de Raad wel kennisgenomen van dit bericht dan had hij vermoedelijk nog net binnen de termijn van
6 weken verzet kunnen instellen.
In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Volgens vaste rechtspraak komt het handelen of nalaten van een persoon aan wie een betrokkene zijn belangen heeft toevertrouwd voor risico van die betrokkene. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.E. Lageweg

LO