Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
RB
DÉCISION
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om de partnertoeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) te beëindigen per de datum waarop zijn partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. De Svb had dit besluit genomen op 14 oktober 2015 en het bezwaar ongegrond verklaard op 8 april 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting op 4 januari 2018 was appellant niet aanwezig, de Svb werd vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Rooijers.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 7a van de AOW de pensioengerechtigde leeftijd in 2015 was vastgesteld op 65 jaar en drie maanden. De partner van appellant, geboren in 1950, bereikte deze leeftijd in 2015, waardoor de beëindiging van de toeslag door de Svb terecht was. Deze wettelijke bepaling is dwingendrechtelijk, waardoor geen beleidsvrijheid bestaat om hiervan af te wijken.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat de Svb nog een besluit zal nemen over het recht op AOW-pensioen van de partner van appellant en het recht van appellant zelf opnieuw zal beoordelen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de partnertoeslag AOW door de Sociale Verzekeringsbank terecht is.