ECLI:NL:CRVB:2018:434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en FML-aanpassing
Appellante is sinds 1 november 2010 arbeidsongeschikt door ernstige hartproblemen en bijkomende klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou bedragen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens motiveringsgebrek, maar hield de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betwistte appellante de urenbeperking en stelde zij dat het UWV de adviezen van haar artsen negeerde. Na inschakeling van een deskundige en een aangepast rapport nam het UWV een nieuw besluit waarin de FML werd bijgesteld en de arbeidsongeschiktheid op 37,07% werd vastgesteld, waardoor zij recht heeft op een WIA-uitkering.
De Raad volgt het deskundigenrapport en onderschrijft de aangepaste FML. De functies wikkelaar, machinaal metaalbewerker en samensteller kunststof en rubberindustrie worden passend geacht. De vraag naar duurzaamheid van beperkingen en IVA-uitkering komt niet aan de orde omdat appellante niet volledig arbeidsongeschikt is.
Het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante, waaronder vergoeding van reis- en verblijfkosten, maar niet voor kosten van een professionele gemachtigde of de partner van appellante. Het betaalde griffierecht wordt aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.