Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Dit laatste criterium hanteert de Svb op grond van beleidsregel SB1076.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die in Nederland heeft gewerkt en later naar Marokko is teruggekeerd, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om toelating tot vrijwillige verzekering op grond van de AOW en ANW. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant zijn aanvraag niet binnen de wettelijke termijn had ingediend. Na eerdere procedures waarin de rechtbank een besluit vernietigde, diende appellant opnieuw een verzoek in dat eveneens werd afgewezen.
De Svb kwalificeerde het nieuwe verzoek als een verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbaar besluit en wees het af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de wettelijke termijn voor vrijwillige verzekering tien jaar bedraagt en dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een hernieuwde toelating. Ook oordeelde de Raad dat het besluit niet evident onredelijk of onmiskenbaar onjuist was. Het hoger beroep werd daarom verworpen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot vrijwillige verzekering AOW werd afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.