Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2018
Publicatiedatum
22 februari 2018
Zaaknummer
17/621 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ingetrokken schuldig nalatig verklaring AOW-premie 2009

Appellante was door de Sociale verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van de AOW-premie over 2009. De rechtbank had het beroep van appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten.

De Svb heeft vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin zij meedeelde dat de Belastingdienst had bevestigd dat aan appellante geen premies volksverzekeringen waren opgelegd in de definitieve aanslag 2009. Hierdoor werd het besluit van schuldig nalatigheid ingetrokken en werd volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellante.

De Raad stelt vast dat appellante hierdoor geen (proces)belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Het verzoek van appellante om terugbetaling van mogelijk ten onrechte verrekende bedragen door de Belastingdienst valt buiten de bevoegdheid van de Raad. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante, bestaande uit reiskosten van € 20,20, en moet het betaalde griffierecht van € 124,- aan appellante vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit is ingetrokken.

Uitspraak

17.621 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
6 december 2016, 15/4191 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 22 februari 2018
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 9 februari 2017 aan de Raad toegezonden.
Appellante en de Svb hebben nog nadere stukken aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 10 april 2015 heeft de Svb appellante schuldig nalatig verklaard ter zake van het niet betalen van de verschuldigde premie voor de Algemene Ouderdomswet over 2009. Bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2015 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De Svb is voorts opgedragen het betaalde griffierecht van € 45,- aan appellante te vergoeden.
3.1.
Bij brief van 17 februari 2017 heeft de Svb aan de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar van 9 februari 2017 toegezonden. In dat besluit heeft de Svb aan appellante te kennen gegeven dat de Belastingdienst aan de Svb desgevraagd heeft meegedeeld dat uit de aanslaggegevens blijkt dat bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2009 is vastgesteld dat aan appellante geen premies volksverzekeringen zijn opgelegd. Om die reden acht de Svb appellante niet meer schuldig nalatig over 2009 en vervalt het besluit van 10 april 2015. Het bestreden besluit wordt dan ook ingetrokken. Volgens de Svb is met het besluit van
9 februari 2017 volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellante.
3.2.
In reactie op dit besluit heeft appellante de Raad verzocht om de Belastingdienst te gelasten de ten onrechte verrekende belastingteruggave aan haar terug te betalen.
4. De Raad stelt vast dat de Svb met het in hoger beroep overgelegde besluit van
9 februari 2017 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. De Raad is niet gebleken dat appellante enig (proces)belang heeft bij een beoordeling door de Raad van de uitspraak van de rechtbank. De Raad is niet bevoegd te oordelen over de door appellante gevraagde terugbetaling door de Belastingdienst van mogelijk ten onrechte verrekende bedragen. Zoals ook uitvoerig ter zitting met appellante en haar echtgenoot is besproken, zal appellante zich met dit verzoek tot de Belastingdienst moeten wenden. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 20,20 aan reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante van in totaal € 20,20;
  • bepaalt dat de Svb aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 124,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) J.C. Borman

RB