Appellant was werkzaam als chauffeur en later koerier bij een bedrijf tot oktober 2014. Na ziekmelding met hartklachten in november 2014 kreeg hij per februari 2015 een Ziektewetuitkering toegekend. Het UWV oordeelde op 31 augustus 2015 dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte werkzaamheden en stelde op 31 augustus 2015 vast dat hij geen recht meer had op ziekengeld. Na bezwaar stelde het UWV het recht op ziekengeld vast tot 6 oktober 2015.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij zich op 20 oktober 2015 opnieuw ziek had gemeld en dat zijn medische situatie verslechterd was. Hij overlegde ziekenhuisafspraken en WW-documenten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op 6 oktober 2015 niet in staat was zijn arbeid te verrichten. De verzekeringsarts had appellant onderzocht en concludeerde dat hij geschikt was voor licht fysiek belastend werk, vergelijkbaar met zijn koerierswerk. De medische gegevens toonden geen nieuwe feiten die het oordeel van het UWV onjuist maakten.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.