ECLI:NL:CRVB:2018:556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2018
Publicatiedatum
27 februari 2018
Zaaknummer
17/8264 WAO-VV-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beslaglegging op WAO-uitkering

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarbij beslag is gelegd op haar WAO-uitkering. Het beslag betrof een bedrag van €39,24 per maand over de periode september en oktober 2016. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Verzoekster stelde hoger beroep in en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening. Geconstateerd werd dat het beslag betrekking had op een afgesloten periode in het verleden en dat het beslag inmiddels was opgeheven. Het gevraagde bedrag van restitutie bedroeg slechts €78,48. Er was geen actueel spoedeisend financieel belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde.

Ook was er geen zwaarwegend belang dat verhinderde dat verzoekster de bodemprocedure afwacht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen beslaglegging op WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van actueel spoedeisend belang.

Uitspraak

17.8264 WAO-VV-PV

Datum uitspraak: 19 februari 2018
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: M. Greebe
Griffier: S.L. Alves
Ter zitting is verzoekster niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Bij besluit van 9 september 2016, gehandhaafd bij besluit 27 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft het Uwv aan verzoekster kenbaar gemaakt dat
[gerechtsdeurwaarder] beslag heeft gelegd op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en dat ter uitvoering van dat beslag een gedeelte van WAO-uitkering van verzoekster zal worden ingehouden en afgedragen aan de deurwaarder. Met ingang van 1 september 2016 zal verzoekster in verband hiermee nog een bedrag van € 769,22 per maand ontvangen, zijnde de voor haar geldende beslagvrije voet. Een bedrag van € 39,24 dat onder het beslag valt, zal per 1 september 2016 worden overgemaakt aan de beslaglegger.
2. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 14 december 2017, 16/9232, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen deze uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
4. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Wat door verzoekster met betrekking tot het treffen van een voorlopige voorziening is aangevoerd, wordt zo opgevat dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat het beslag op haar WAO-uitkering ten onrechte is gelegd en verzoekster restitutie wenst van de ingehouden bedragen.
6. Vastgesteld wordt dat het beslag op de WAO-uitkering van verzoekster ziet op een afgesloten periode in het verleden, namelijk op de maanden september 2016 en oktober 2016, aangezien, zoals uit de stukken blijkt, het beslag nadien op verzoek van de deurwaarder is opgeheven. Het bedrag waarvan restitutie van de ingehouden WAO-uitkering wordt gevraagd betreft dus tweemaal € 39,24, zijnde € 78,48. Wat appellante in haar verzoek heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat sprake is van een actueel spoedeisend (financieel) belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Voorts is ook op andere wijze niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door haar zou kunnen worden afgewacht.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(get.) S.L. Alves (get.) M. Greebe

CVG