ECLI:NL:CRVB:2018:569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2018
Publicatiedatum
28 februari 2018
Zaaknummer
17/4145 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8 lid 2 AOW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaartermijn niet verschoonbaar overschreden bij AOW-partnertoeslag

Appellante kreeg haar AOW-partnertoeslag per 1 februari 2016 verlaagd omdat zij opnieuw is gaan samenwonen, waarbij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) oordeelde dat zij van april 2015 tot begin 2016 geen gezamenlijke huishouding voerde. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deed dit pas op 25 augustus 2016, ruim na de zeswekentermijn die op 7 maart 2016 was geëindigd.

De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege deze niet verschoonbare overschrijding. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellante af. In hoger beroep stelde appellante dat zij pas in augustus 2016 hoorde dat andere pensioengerechtigden beter waren geïnformeerd over de wijziging van de partnertoeslagregeling per 1 januari 2015.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen omstandigheden had aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Zij was niet verhinderd tijdig bezwaar te maken maar had dit om haar eigen redenen nagelaten. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de verlaging van haar AOW-partnertoeslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

17.4145 AOW

Datum uitspraak: 15 februari 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 april 2017, 16/6962 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Spanje (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.E. van der Eijk-Klinkhamer hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2018. Appellante is verschenen bij mr. Van der Eijk-Klinkhamer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. S. Herder.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluiten van 25 januari 2016 heeft de Svb het op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellante toegekende ouderdomspensioen per 1 februari 2016 verlaagd omdat appellante - opnieuw - is gaan samenwonen. Daarbij is geweigerd om aan appellante vanaf februari 2016 een partnertoeslag toe te kennen. Laatstgenoemde beslissing is gebaseerd op de aan artikel 8, tweede lid, aanhef en sub b, van de AOW ontleende grond dat appellante van april 2015 tot begin 2016 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
1.2.
Bij bezwaarschrift van 25 augustus 2016 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde besluiten van 25 januari 2016. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van
27 september 2016 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de bezwaartermijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep is de situatie van appellante uiteengezet en is aangevoerd dat - kort weergegeven - haar pas in augustus 2016 ter ore is gekomen dat andere pensioengerechtigden dan zijzelf door de Svb beter zijn geïnformeerd over de wijziging per 1 januari 2015 van de in artikel 8 van Pro de AOW opgenomen regeling inzake de partnertoeslag.
3.2.
De Svb heeft in hoger beroep verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1.
De Raad oordeelt als volgt.
4.2.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van Pro de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In dit geval is de bezwaartermijn op 26 januari 2016 aangevangen en op 7 maart 2016 geëindigd.
4.3.
Appellante heeft pas bij brief van 25 augustus 2016 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2016, zodat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellante niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit.
4.4.
Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb. Appellante is niet buiten staat geweest om tijdig bezwaar te maken tegen de onder 1.1 vermelde besluiten van 25 januari 2016 maar heeft daar om haar moverende redenen destijds van afgezien. Dit betekent dat de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 januari 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2018.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) L. Boersma

HD