Uitspraak
17.4145 AOW
mr. S. Herder.
Centrale Raad van Beroep
Appellante kreeg haar AOW-partnertoeslag per 1 februari 2016 verlaagd omdat zij opnieuw is gaan samenwonen, waarbij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) oordeelde dat zij van april 2015 tot begin 2016 geen gezamenlijke huishouding voerde. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deed dit pas op 25 augustus 2016, ruim na de zeswekentermijn die op 7 maart 2016 was geëindigd.
De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege deze niet verschoonbare overschrijding. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellante af. In hoger beroep stelde appellante dat zij pas in augustus 2016 hoorde dat andere pensioengerechtigden beter waren geïnformeerd over de wijziging van de partnertoeslagregeling per 1 januari 2015.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen omstandigheden had aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Zij was niet verhinderd tijdig bezwaar te maken maar had dit om haar eigen redenen nagelaten. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante tegen de verlaging van haar AOW-partnertoeslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.