ECLI:NL:CRVB:2018:60
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 2012
Appellant, voormalig chauffeur-bezorger, meldde zich ziek vanaf 1 augustus 2012 en vorderde ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde vast dat appellant per die datum niet arbeidsongeschikt was en weigerde ziekengeld toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn werk niet kon verrichten.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn lichamelijke klachten, waaronder leveraandoeningen, onvoldoende waren meegewogen en dat het verzoek om een onafhankelijke deskundige ten onrechte was afgewezen. Hij verwees naar een afwijkend medisch rapport van verzekeringsarts Offermans. De Raad concludeerde echter dat het rapport van Offermans geen doorslaggevende betekenis heeft omdat het pas jaren na de datum in geschil is opgesteld en onvoldoende is onderbouwd.
De Raad bevestigde dat appellant zich niet ziek had gemeld rond 1 augustus 2012 en dat de leverklachten pas later waren vastgesteld. Het zorgvuldig medisch onderzoek van het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd gevolgd. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.