Uitspraak
16.6314 AOR
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1939, vroeg op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) een vergoeding en voorzieningen aan vanwege oorlogsletsel met psychische klachten. De Pensioen- en Uitkeringsraad stelde vast dat appellant oorlogsletsel heeft, maar dat de arbeidsongeschiktheid niet de vereiste 10% overschrijdt. Daarom werd een invaliditeitsuitkering geweigerd, maar wel een vergoeding voor huishoudelijke hulp en medische voorzieningen toegekend.
In bezwaar en beroep voerde appellant aan dat de arbeidsongeschiktheid werd onderschat, met verwijzing naar een rapport van arts Laatsch. De Raad beoordeelde de medische adviezen en concludeerde dat de bevindingen van arts Ohlenschlager, die een causale psychische invaliditeit van 5% vaststelde, voldoende gemotiveerd en zorgvuldig waren. Het rapport van Laatsch gaf geen aanleiding tot afwijking, omdat diens stelling van 50% invaliditeit onvoldoende onderbouwd was.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door C.H. Bangma op 1 maart 2018.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de arbeidsongeschiktheid onder de 10% grens blijft.