ECLI:NL:CRVB:2018:627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.C.R. Schut
- J.L. Boxum
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bedrijfskrediet wegens niet-bedrijfsmatige besteding
Appellant exploiteert sinds maart 2014 een bedrijf gericht op computersystemen en ontving een bedrijfskrediet van €29.000,- onder voorwaarden van het college van burgemeester en wethouders van Diemen. Het college vorderde later €4.938,25 terug omdat een deel van het krediet was besteed aan kosten voor de inrichting van een huurwoning, die niet als bedrijfskosten werden erkend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij toestemming had gekregen om het krediet voor verhuiskosten te gebruiken en dat de inrichting van de huurwoning als bedrijfsmiddel kon worden gezien, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad. De Raad oordeelde dat de woning niet als specifieke bedrijfsruimte kon worden aangemerkt en dat het arrest niet van toepassing was op het Bbz 2004. Tevens was de vermeende toestemming niet aannemelijk gemaakt.
De Raad concludeerde dat appellant het krediet niet overeenkomstig de voorwaarden had besteed en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €4.938,25 wegens niet-bedrijfsmatige besteding van het bedrijfskrediet.