ECLI:NL:CRVB:2018:660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding met kinderen
Appellant en appellante ontvingen beiden bijstand als alleenstaande en alleenstaande ouder, terwijl zij samen met twee kinderen een gezamenlijke huishouding zouden voeren op hetzelfde adres. Het dagelijks bestuur stelde na onderzoek vast dat zij hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, wat een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding oplevert volgens de Participatiewet.
Het onderzoek bestond uit verklaringen van buren, energieverbruiksgegevens, waarnemingen van geparkeerde auto’s en huisbezoeken. De verklaringen van buurtbewoners bevestigden dat appellant en appellante samenwoonden met hun kinderen. Het energieverbruik op het adres van appellant was aanzienlijk lager dan normaal, wat duidt op afwezigheid. Tijdens huisbezoeken werd appellant in de woning van appellante aangetroffen met persoonlijke spullen.
De rechtbank had de intrekking van de bijstand bevestigd en de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het dagelijks bestuur voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De hoger beroepen van appellanten werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.