ECLI:NL:CRVB:2018:667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en herziening bijstand wegens onduidelijke contante stortingen
Appellante ontving bijstand sinds 2000 en werd onderzocht nadat een klantmanager een internetvermelding van haar activiteiten meldde. Het Regionaal Opsporingsteam Sociale Recherche onderzocht haar bankafschriften van 2009 tot 2014 en constateerde diverse contante stortingen. Het college trok de bijstand over bepaalde maanden in en herzag deze over andere maanden, omdat appellante de stortingen niet had gemeld en geen duidelijkheid gaf over de herkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de stortingen afkomstig waren van haar dochter, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen. De Raad oordeelde dat de stortingen, gelet op hun frequentie en omvang, als middelen van appellante moeten worden beschouwd tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
Omdat appellante niet aannemelijk maakte dat de stortingen niet tot haar middelen behoorden en zij redelijkerwijs over de bankrekening kon beschikken, bevestigde de Raad het besluit van het college. Er was geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat de stortingen zonder gevolgen zouden blijven. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van de bijstand wegens niet-gemelde contante stortingen waarvan de herkomst onduidelijk is.