ECLI:NL:CRVB:2018:673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek buitengewoon pensioen wegens ontbreken nieuwe feiten over verzetsdeelname
Appellant, geboren in 1924, vroeg in 1984 een buitengewoon pensioen aan op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), stellende dat hij deelnam aan verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na onderzoek concludeerde de Centrale Hoofdbestuurscommissie dat hij geen deelnemer aan het verzet was, waarna de aanvraag in 1987 werd afgewezen en deze afwijzing in 1989 werd gehandhaafd. Diverse herzieningsverzoeken in de jaren daarna werden steeds afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
In 2016 diende appellant opnieuw een herzieningsverzoek in, dat eveneens werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die aanleiding zouden geven tot herziening. De Centrale Raad van Beroep toetste dit besluit met terughoudendheid en concludeerde dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd die het eerdere besluit in een ander licht plaatsen.
De Raad oordeelde dat het handelen van appellant niet kan worden aangemerkt als verzet in de zin van de Wbp en dat het verzoek om herziening gebaseerd was op reeds bekende gegevens. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek buitengewoon pensioen wordt ongegrond verklaard.