ECLI:NL:CRVB:2018:675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning oorlogsgeweld in voormalig Nederlands-Indië op grond van AOR en Wubo
Appellant, geboren in 1942, heeft aanvragen ingediend voor erkenning en uitkeringen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Beide aanvragen werden door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld heeft meegemaakt in het toenmalige Nederlands-Indië.
Appellant stelde dat hij geïnterneerd was geweest in kampen te Bandjermasin en Balikpapan, maar dit kon niet worden bevestigd door het Nederlandse Rode Kruis, SAIP-gegevens of andere geautomatiseerde bronnen. Ook een verklaring die appellant aanvoerde, betrof de oorlogservaringen van zijn broer en niet die van hemzelf.
De Raad concludeerde dat het onderzoek naar de oorlogservaringen van appellant voldoende was geweest en dat niet is gebleken dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld heeft ondervonden. De beroepen tegen de afwijzingen werden daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 maart 2018.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk oorlogsgeweld.