Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met een periodieke uitkering op grond van de Wubo, verzocht herhaaldelijk om herziening van de grondslag van zijn uitkering, gebaseerd op zijn laatstverdiende inkomen als fabricagevoorbereider bij een werkgever.
De Raad oordeelt dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft aangedragen die aanleiding geven tot herziening van het eerdere besluit. De discretionaire bevoegdheid van verweerder wordt terughoudend getoetst, waarbij centraal staat of nieuwe omstandigheden het eerdere besluit in een ander licht plaatsen.
De Raad bevestigt dat de grondslag van de uitkering wordt vastgesteld op het feitelijk laatstverdiende inkomen en dat eventuele verschillen in salarisuitbetaling niet leiden tot aanpassing van de grondslag. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 8 maart 2018.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.