ECLI:NL:CRVB:2018:760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2018
Publicatiedatum
14 maart 2018
Zaaknummer
17/252 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wubo
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herzieningsverzoek grondslag periodieke uitkering Wubo

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met een periodieke uitkering op grond van de Wubo, verzocht herhaaldelijk om herziening van de grondslag van zijn uitkering, gebaseerd op zijn laatstverdiende inkomen als fabricagevoorbereider bij een werkgever.

De Raad oordeelt dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft aangedragen die aanleiding geven tot herziening van het eerdere besluit. De discretionaire bevoegdheid van verweerder wordt terughoudend getoetst, waarbij centraal staat of nieuwe omstandigheden het eerdere besluit in een ander licht plaatsen.

De Raad bevestigt dat de grondslag van de uitkering wordt vastgesteld op het feitelijk laatstverdiende inkomen en dat eventuele verschillen in salarisuitbetaling niet leiden tot aanpassing van de grondslag. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 8 maart 2018.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

17/252 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen partijen en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 8 maart 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 december 2016, kenmerk BZ01102066 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Appellant heeft tevens verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1934, is op grond van psychische invaliditeit erkend als
burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Met ingang van 3 juli 1993 is hem een periodieke uitkering toegekend. De grondslag van de uitkering is gebaseerd op het door appellant laatstelijk uitgeoefende beroep van fabricagevoorbereider bij [A.]. De Raad heeft bij uitspraak van 21 april 1995 (WUBO 1994/71) geoordeeld over de grondslag van de uitkering van appellant. Het beroep van appellant is ongegrond verklaard. Overwogen is dat er gelet op de door [A.] verstrekte gegevens geen reden is om te twijfelen aan de opvatting van verweerder dat appellant in de laatstelijk door hem bij [A.] beklede functie op 3 juli 1993 een jaarsalaris had kunnen verdienen van afgerond fl 48.848,-.
1.2.
In oktober 2014 heeft appellant verzocht de grondslag van zijn periodieke uitkering te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 2 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2015, op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien. Tegen het besluit van 3 juli 2015 is geen beroep ingesteld.
1.3.
In mei 2016 heeft appellant opnieuw verzocht de grondslag te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 10 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op dezelfde gronden als die waarop het besluit van 2 maart 2015 was gebaseerd.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of betrokkene feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die verweerder bij het nemen van de eerdere besluiten niet bekend waren en die deze besluiten in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.2.
Vastgesteld wordt dat appellant bij zijn herzieningsverzoek geen nieuwe feiten of gegevens heeft aangedragen. Er is niet gebleken dat verweerder bij de vaststelling van de grondslag van de periodieke uitkering is uitgegaan van onjuiste gegevens. Aldus is door de Raad al in 1995 geoordeeld en daarin is thans geen verandering gekomen
.
2.3.
Bij de vaststelling van de grondslag van de uitkering wordt uitgegaan van het feitelijk laatstverdiende inkomen. Uitgaande van dat feitelijk inkomen, wordt bezien wat had kunnen worden verdiend als de werkzaamheden niet zouden zijn beëindigd. Niet doorslaggevend is hoe hoog het laatstverdiende inkomen, als de omstandigheden anders waren geweest, had kunnen of had moeten zijn. Van belang is verder nog dat voor zover appellant veronderstelt dat het indertijd door [A.] aan verweerder doorgegeven bedrag hoger is dan wat hij feitelijk heeft ontvangen, dit nimmer tot een hogere grondslag kan leiden. Uitgaande van het feitelijke inkomen zou dit juist nopen tot verlaging van de grondslag. Als appellant te weinig salaris heeft ontvangen van [A.], is het niet aan verweerder om dit te compenseren.
2.4.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit standhoudt. De Raad zal het beroep ongegrond verklaren. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van F. Demiroglu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) F. Demiroglu

HD