Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2018
Publicatiedatum
15 maart 2018
Zaaknummer
17/2483 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:3 CAR/UWOArt. 8:8 CAR/UWOArt. 10d:4 CAR/UWO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eervol ontslag zonder toekenning schadevergoeding bij reorganisatie

Appellante was sinds 1998 werkzaam bij de gemeente Hilvarenbeek en werd bij besluit van 24 september 2013 boventallig verklaard wegens opheffing van haar functie. Na een Van Werk Naar Werk-traject verleende het college haar per 1 januari 2016 eervol ontslag op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij in eerste aanleg en hoger beroep het besluit aanvocht.

In hoger beroep stelde appellante dat het college tekort was geschoten in haar inspanningsverplichting om ontslag of werkloosheid te voorkomen en dat zij daarom recht had op een schadevergoeding, verwijzend naar de CRvB-formule voor ontslagvergoedingen bij artikel 8:8 CAR Pro/UWO. De Raad oordeelde echter dat deze regeling niet van toepassing is op ontslag op grond van artikel 8:3 CAR Pro/UWO, omdat een vergelijkbare regeling ontbreekt voor deze ontslaggrond.

De Raad concludeerde dat er geen grond bestaat voor toekenning van een plusvergoeding of nadeelcompensatie en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eervol ontslag zonder vergoeding bevestigd.

Uitspraak

17/2483 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 februari 2017, 16/4387 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de Hilvarenbeek (college)
Datum uitspraak: 15 maart 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C. van Langen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Langen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Berns en ing. P.J.M. Arens.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was sinds oktober 1998 werkzaam bij de gemeente Hilvarenbeek, laatstelijk als [medewerker A.].
1.2.
Bij besluit van 24 september 2013 is appellante meegedeeld dat haar functie per 1 oktober 2013 wordt opgeheven en dat zij per die datum boventallig wordt verklaard. Dit besluit staat in rechte vast. Er is een Van Werk Naar Werk-traject gestart.
1.3.
Na daartoe het voornemen kenbaar te hebben gemaakt waarop appellante haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college bij besluit van 18 december 2015 appellante per
1 januari 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).
1.4.
Bij besluit van 9 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Net als in het beroep in eerste aanleg heeft appellante in hoger beroep naar voren gebracht dat zij geen herstel van het dienstverband wenst, maar dat zij van mening is dat het college haar bij het ontslagbesluit een schadevergoeding had moeten toekennen. Hiertoe is aangevoerd dat het college niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om ontslag dan wel werkloosheid te voorkomen. Er is geen sprake van goed werkgeverschap. Voor de berekening van de ontslagvergoeding verwijst appellante naar de rechtspraak van de Raad inzake artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO.
3.2.
Met de rechtbank en anders dan appellante heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat voor toepassing van de zogenoemde CRvB-formule, die wordt gebruikt voor de berekening van de ontslagvergoeding bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO (de zogeheten plus), geen grond bestaat. Het ontslag van appellante is gestoeld op een reorganisatie. In artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO is voorgeschreven dat voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 wordt Pro ontslagen een passende regeling wordt getroffen. Een vergelijkbare bepaling ontbreekt ten aanzien van de overige ontslaggronden van de CAR/UWO. Nu appellante is ontslagen op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO is er geen grond voor het toekennen van een plus. Daarmee is er evenmin grond voor toekenning van een vergoeding op grond van het leerstuk van de nadeelcompensatie.
3.3.
Uit 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J. Tuit

HD