ECLI:NL:CRVB:2018:786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering ANW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2011
Appellante verzocht om een nabestaandenuitkering (ANW) op grond van arbeidsongeschiktheid. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering omdat zij op 1 juli 2011 niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij de aanvraag van 2014 als herhaalde aanvraag werd aangemerkt.
In hoger beroep erkende de Svb dat de aanvraag van 2014 een nieuwe aanvraag betrof, waardoor het eerdere besluit niet onaantastbaar was. Het geschil concentreerde zich op de vraag of appellante op 1 juli 2011 arbeidsongeschikt was volgens de ANW-normen.
Het UWV voerde een medisch en arbeidskundig onderzoek uit. De verzekeringsarts concludeerde dat appellante weliswaar klachten had, maar ondanks deze beperkingen 32 uur per week werkte. De arbeidsdeskundige stelde vast dat er geen relevant verlies aan verdiencapaciteit was en dat de mate van arbeidsongeschiktheid ruim onder de 45% lag.
De Raad vond geen aanleiding om aan de medische beoordeling te twijfelen en oordeelde dat de Svb terecht de uitkering had geweigerd. De eerdere uitspraak werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit bleven in stand. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Svb heeft terecht geweigerd een ANW-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was per 1 juli 2011.