ECLI:NL:CRVB:2019:1020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig UWV-onderzoek bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker/afwasser, viel in 2008 uit wegens heupklachten. Na een verlengde wachttijd stelde het UWV in 2010 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. In 2014 meldde appellant zich ziek en vroeg in 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport vast dat appellant vanaf augustus 2014 recht had op een WIA-uitkering van 100%, maar beëindigde deze per oktober 2016 omdat hij niet langer arbeidsongeschikt was.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door diverse klachten geen arbeid kon verrichten en dat sommige functies ongeschikt waren, maar leverde geen nieuwe medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig en juist was, dat de medische grondslag niet ter discussie stond en dat de functies passend waren. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd na een zorgvuldig UWV-onderzoek.