Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1022

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2019
Publicatiedatum
27 maart 2019
Zaaknummer
18-894 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18f ZvwArt. 11 Wet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid CAK tot omleiding zorgtoeslag ter voldoening bestuursrechtelijke premie

Appellante was vanaf maart 2010 bestuursrechtelijke premie verschuldigd wegens aanmelding als wanbetaler bij haar zorgverzekeraar. Na een afmelding per 1 november 2010 werd zij op 30 november 2010 opnieuw aangemeld als wanbetaler, waardoor zij vanaf december 2010 opnieuw premie verschuldigd was. Het CAK stelde een eindafrekening op over de periode maart tot oktober 2010 en besloot later de zorgtoeslag van appellante om te leiden naar het CJIB ter gedeeltelijke voldoening van de openstaande premie.

Appellante maakte bezwaar tegen deze omleiding van de zorgtoeslag, maar het CAK verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. In hoger beroep voerde appellante aan dat bij het ontbreken van een hardheidsclausule de beginselen van behoorlijk bestuur gelden en dat onduidelijkheid bestond over de relatie tussen de omleiding en eerdere afmelding als wanbetaler.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de omleiding van de zorgtoeslag niet samenhangt met de eerdere afmelding en dat het CAK op grond van artikel 18f, zesde lid, Zvw bevoegd was tot deze omleiding. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CAK tot omleiding van de zorgtoeslag bevestigd.

Uitspraak

18.894 ZVW

Datum uitspraak: 27 maart 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 december 2017, 13/6843 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz), dan wel het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Cvz en Zorginstituut Nederland.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Appellante is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. van der Meer, werkzaam bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is op 6 februari 2010 door haar zorgverzekeraar VGZ Zorgverzekeraar N.V. aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarom is zij vanaf maart 2010 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd.
1.2.
Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft CAK aan appellante te kennen gegeven dat zij door haar zorgverzekeraar per 1 november 2010 is afgemeld als wanbetaler, dat zij per die datum niet langer bestuursrechtelijke premie verschuldigd is en dat er nog een eindafrekening volgt.
1.3.
Bij besluit van 7 februari 2011 heeft CAK een eindafrekening bestuursrechtelijke premie opgemaakt over de periode 1 maart 2010 tot en met 31 oktober 2010. Daarin is vermeld dat zij nog een bedrag van € 841,36 verschuldigd is en dat het CJIB tot invordering over zal gaan.
1.4.
Bij besluit van 9 december 2010 heeft CAK appellante bericht dat zij door haar zorgverzekeraar op 30 november 2010 opnieuw is aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zvw. Daarom is zij vanaf december 2010 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd.
1.5.
Bij besluit van 12 maart 2013 heeft CAK aan appellante bericht dat op grond van
artikel 18f, zesde lid, van de Zvw de zorgtoeslag wordt uitbetaald aan het CJIB ter gedeeltelijke voldoening van de door haar verschuldigde bestuursrechtelijke premie (omleiding zorgtoeslag). Voor het resterende bedrag ontvangt appellante een acceptgiro.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2013 (bestreden besluit) heeft CAK de bezwaren van appellante tegen het besluit van 12 maart 2013 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was CAK op grond van artikel 18f, zesde lid, van de Zvw bevoegd tot omleiding van de zorgtoeslag. Dat appellante de zorgtoeslag gebruikte om haar schulden te voldoen en te voorzien in haar levensonderhoud, doen niet af aan deze wettelijke bevoegdheid. Het is de rechter immers op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen
3. In hoger beroep heeft appellante verwezen naar de overweging van de rechtbank dat het de rechter niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen en heeft zij aangevoerd dat bij het ontbreken van een hardheidsclausule de beginselen van behoorlijk bestuur gelden. Verder heeft zij naar voren gebracht dat het niet duidelijk is hoe de inhouding van de zorgtoeslag zich verhoudt tot de afmelding van appellante als wanbetaler per 1 november 2010 en de eindafrekening van 7 februari 2011.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vaststaat dat nadat appellante per 1 november 2010 was afgemeld als wanbetaler, zij op 30 november 2010 opnieuw is aangemeld als wanbetaler. De eindafrekening van 7 februari 2011 ziet op de periode 1 maart 2010 tot en met 31 oktober 2010. Vanaf 1 december 2010 was appellante door de aanmelding als wanbetaler opnieuw bestuursrechtelijke premie verschuldigd. Vervolgens heeft CAK bij besluit van 12 maart 2013, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, besloten om ter (gedeeltelijke) voldoening van deze bestuursrechtelijke premie de aan appellante toekomende zorgtoeslag uit te laten betalen aan het CJIB. Dit betekent dat de in geding zijnde omleiding van de zorgtoeslag niet in verband staat met de afmelding van appellante als wanbetaler per 1 november 2010 en de eindafrekening van 7 februari 2011.
4.2.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat CAK op grond van artikel 18f, zesde lid, van de Zvw bevoegd was de aan appellante toekomende zorgtoeslag als tegemoetkoming in de bestuursrechtelijke premie aan CJIB uit te laten betalen. Wat appellante in deze zaak meer of anders heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) C.I. Heijkoop
GdJ