ECLI:NL:CRVB:2019:1050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als winkelmedewerkster en meldde zich ziek met nek-, rug- en psychische klachten. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling werd haar recht op ziekengeld voortgezet. Later vroeg zij een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en dat zij de wachttijd niet had voldaan, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep nam aanvullende beperkingen op in de functionele mogelijkhedenlijst en een arbeidsdeskundige herzag de geschiktheid van functies, wat leidde tot een herziening van het besluit over het ziekengeld. Het bezwaar tegen het besluit tot weigering van de WIA-uitkering werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte het medisch oordeel van het UWV volgde en geen onafhankelijke deskundige benoemde. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV, bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering bevestigd.