ECLI:NL:CRVB:2019:1101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkheid wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard
Verzoekster had een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak ingediend, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Verzoekster stelde in verzet dat zij niet in verzuim was, onder meer omdat zij meende dat het heffen van griffierecht in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en dat haar financiële gegevens waren vervalst en verduisterd.
De Raad overwoog dat bij onvoldoende financiële draagkracht het heffen van griffierecht de toegang tot de rechter kan belemmeren en dat vrijstelling van griffierecht mogelijk is indien het netto-inkomen minder is dan 90% van de bijstandsnorm en er geen vermogen is om het griffierecht te betalen. Verzoekster heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die haar verzuim rechtvaardigen of een beroep op betalingsonmacht onderbouwden.
Zij was herhaaldelijk gewezen op de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen, maar heeft deze mogelijkheid niet benut. Daarom verklaart de Raad het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in aanwezigheid van griffier M.A.A. Traousis.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.