ECLI:NL:CRVB:2019:1103

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2019
Publicatiedatum
29 maart 2019
Zaaknummer
18/3363 AOW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde in verzet dat hij zijn zoon geld had gegeven om het griffierecht te betalen, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen. De Raad constateerde dat er geen betaling was ontvangen en dat appellant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het wettelijke stelsel geen ruimte biedt voor een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet.

De uitspraak werd gedaan door H.C.P. Venema, in aanwezigheid van griffier M.A.A. Traousis, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 maart 2019
18/3363 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018, 17/2224 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 25 oktober 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 februari 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 25 oktober 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 23 juli 2018 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij zijn zoon geld heeft gegeven om het griffierecht te betalen. Appellant weet niet of zijn zoon het griffierecht heeft betaald maar hij gaat er van uit dat zijn zoon het bedrag heeft overgemaakt naar de rekening van de Raad. Appellant is bereid het griffierecht (alsnog) te betalen.
In de financiële administratie van de Raad is geen door of namens appellant gedane betaling aangetroffen. Appellant heeft de gestelde betaling van het griffierecht niet met bewijsstukken onderbouwd.
De Raad stelt vast dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om appellant een nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht te gunnen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) M.A.A. Traousis

RB