ECLI:NL:CRVB:2019:1183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant verzocht om een WIA-uitkering na een eerdere afwijzing door het UWV wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het UWV stelde vast dat er geen toename was in de beperkingen sinds de eerdere beoordeling en wees de aanvraag af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor een verslechtering van de fysieke of psychische toestand van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten, waaronder rug-, arm- en heupklachten, psychische problematiek en mogelijk zwakbegaafdheid, waren toegenomen, waardoor werken onmogelijk zou zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd die het eerdere oordeel konden weerleggen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen.
Omdat geen toegenomen beperkingen waren vastgesteld, werd niet toegekomen aan een arbeidskundige beoordeling. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.