ECLI:NL:CRVB:2019:1188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant ontving sinds 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA vanwege volledige arbeidsongeschiktheid. In 2015 heeft het UWV de uitkering beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd bevonden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische situatie was verslechterd en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zijn beperkingen juist waren vastgesteld. Hij overhandigde een brief van zijn behandelend psychiater ter onderbouwing. Het UWV handhaafde het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het UWV zorgvuldig en overtuigend was gemotiveerd. De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn klachten tot verdergaande beperkingen leidden dan reeds vastgesteld. De brief van de psychiater bood geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook was vastgesteld dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering na een zorgvuldig medisch onderzoek.