ECLI:NL:CRVB:2019:1191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering klasse 35-45% na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant ontvangt sinds oktober 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 38,32%. Na melding van verslechtering van zijn gezondheid per februari 2014 heeft het UWV bij besluit van januari 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld. Nieuwe medische stukken van appellant boden geen aanleiding tot herziening, mede omdat deze betrekking hadden op een latere periode dan de in geschil zijnde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij ten onrechte niet als volledig arbeidsongeschikt was aangemerkt, verwijzend naar een besluit van februari 2017. De Raad oordeelde echter dat de situatie vanaf april 2016, waarin appellant intensieve dagbehandeling onderging, niet vergelijkbaar was met de periode in geschil.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant medisch gezien in staat is de geselecteerde functies te vervullen en dat het hoger beroep daarom niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering van appellant correct is vastgesteld op 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid.