ECLI:NL:CRVB:2019:1228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en beëindiging bijstand wegens onduidelijke verblijfplaats
Appellant ontving sinds november 2012 bijstand en verbleef onder bewind in een instelling. Na een conflict werd hij uit het pension gezet en gaf telefonisch aan bij zijn broer te willen logeren en een postadres aan te vragen. Het college blokkeerde het recht op bijstand vanaf 20 september 2016 wegens onduidelijke verblijfplaats en verzocht om nadere gegevens. Appellant leverde deze niet binnen de gestelde termijn aan.
Het college trok de bijstand per 20 september 2016 in en beëindigde deze per 5 oktober 2016, omdat appellant de inlichtingenverplichting schond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant zelf verantwoordelijk was voor het niet ontvangen van de brief en dat de termijn niet te kort was. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat appellant na 21 september 2016 geruime tijd onbereikbaar was en geen contact opnam.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en beëindiging van de bijstand wegens onduidelijke verblijfplaats wordt bevestigd.