ECLI:NL:CRVB:2019:127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ wegens onvoldoende verantwoording
Appellant beschikte over een persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2013 en 2014, toegekend door het zorgkantoor op basis van een indicatie voor zorgzwaartepakket 3C GGZ. Na een administratief onderzoek werd de verantwoording van het pgb afgekeurd, waarna het zorgkantoor het pgb voor beide jaren op nihil stelde en de reeds uitbetaalde voorschotten terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Zij oordeelde dat appellant niet had voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat het pgb uitsluitend was besteed aan AWBZ-zorg. De administratie was onvoldoende concreet en de betalingen kwamen niet overeen met de zorgovereenkomst.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk aan zijn verplichtingen had voldaan en dat een deel van de zorg als AWBZ-zorg aangemerkt kon worden, waardoor de terugvordering naar rato had moeten worden verminderd. Ook stelde hij dat de zogenaamde zesmaandenjurisprudentie ten onrechte was afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellant geen nieuwe of andere gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig en bevestigde de aangevallen uitspraken. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb wordt bevestigd.