ECLI:NL:CRVB:2019:1406
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, voormalig bedrijfsleider, ontving sinds 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2015 vond een herbeoordeling plaats, waarna het UWV op 3 november 2015 besloot de WGA-loonaanvullingsuitkering per 4 januari 2016 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Dit besluit was gebaseerd op medische rapporten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant maakte bezwaar en er werd een psychiatrische expertise uitgevoerd. Op basis hiervan stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe FML op, waarin beperkingen werden aangepast. Het UWV handhaafde het besluit tot intrekking van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek juist en zorgvuldig was en dat appellant geschikt was voor andere functies met een verlies aan verdienvermogen van 31,61%.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over de ernst van zijn klachten en de juistheid van het medisch onderzoek, met name over een carpaal tunnelsyndroom. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de beperkingen en de geschiktheid voor de functies gemotiveerd had vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering bevestigd.