ECLI:NL:CRVB:2019:1500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid
Betrokkene was werkzaam als medewerkster schoonmaakonderhoud en meldde zich ziek op 19 december 2014. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige kende het UWV haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 16 december 2016 tot 16 maart 2018 met een arbeidsongeschiktheid van 100%.
De werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en stelde dat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering per 16 maart 2018 werd beëindigd. De rechtbank verklaarde dit besluit echter ongeldig vanwege een onjuiste datum in geding en beval een nieuwe beslissing.
Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit waarbij de WGA-uitkering werd beëindigd per 5 augustus 2018, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Betrokkene bracht een medisch rapport in ter onderbouwing van haar beperkingen, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwierp deze aanvullingen. De Raad oordeelde dat de FML van 1 maart 2018 juist was vastgesteld en dat betrokkene het opleidingsniveau 2 behaalde door combinatie van opleiding en werkervaring, waardoor het beroep tegen het laatste besluit ongegrond werd verklaard.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van 4 juni 2018, verklaarde het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2017 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2017 wordt niet-ontvankelijk verklaard, het besluit van 4 juni 2018 wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2018 wordt ongegrond verklaard.