ECLI:NL:CRVB:2019:1511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag bevestigd
Appellant, werkzaam als horecamedewerker, viel op 7 juli 2015 uit wegens lichamelijke klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na onderzoek door een bedrijfsarts en verzekeringsarts van het UWV werd de uitkering per 8 maart 2016 beëindigd omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant meldde zich later ziek met psychische klachten, maar het UWV stelde opnieuw vast dat hij geschikt was voor zijn arbeid en beëindigde de uitkering per 27 juni 2016.
Appellant voerde aan dat zijn psychische klachten waren toegenomen en dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig was. De rechtbank wees zijn beroep af en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De artsen hadden het dossier bestudeerd, appellant onderzocht en rekening gehouden met medische informatie van behandelaars, waaronder i-psy en de huisarts.
De Raad stelde vast dat er geen medische onderbouwing was voor een verslechtering van de psychische toestand van appellant. De behandeling en medicatie waren niet gewijzigd sinds de eerdere beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd wegens onvoldoende medische grondslag voor arbeidsongeschiktheid.