ECLI:NL:CRVB:2019:1531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering per 4 mei 2015
Appellant, een docent wiskunde, viel op 6 mei 2013 uit wegens lichamelijke klachten. Het UWV kende hem per 4 mei 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 43%. Appellant maakte bezwaar tegen deze beoordeling en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen waren onderschat en dat hij ten onrechte niet als volledig arbeidsongeschikt werd aangemerkt, mede omdat het UWV hem per 1 januari 2016 als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt had erkend. Het UWV stelde dat de beoordeling moet plaatsvinden op de datum in geding, 4 mei 2015, en dat de latere situatie niet relevant is.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had onderbouwd dat appellant op 4 mei 2015 niet volledig arbeidsongeschikt was. De medische rapporten toonden geen ernstige psychische stoornis of zelfredzaamheidsproblemen op die datum. De latere vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2016 kon niet leiden tot een andere conclusie voor de datum in geding. Ook was appellant in staat om de geselecteerde functies te vervullen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant per 4 mei 2015 niet volledig arbeidsongeschikt was.