ECLI:NL:CRVB:2019:1532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oordeel rechtbank over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellant viel op 26 november 2013 uit wegens lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar na bezwaar werd dit bij besluit van 31 maart 2016 herzien tot 54,81% en recht op een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het UWV zorgvuldig was en het oordeel over de arbeidsongeschiktheid juist. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, mede vanwege psychische problematiek en bedlegerigheid, en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor bedlegerigheid of ernstige psychische stoornis die hem niet zelfredzaam zou maken. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend zijn, waarbij rekening is gehouden met beperkingen zoals tilbelasting en vervoer.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige is afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van de rechtbank bevestigd dat appellant recht heeft op een WGA-uitkering met 54,81% arbeidsongeschiktheid.