Uitspraak
18.2367 PW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en het dagelijks bestuur heeft haar vermogen vastgesteld inclusief het saldo op de bankrekening van haar minderjarige zoon. Na ontvangst van een bedrag uit de boedelscheiding is een terugvordering van bijstand ingesteld omdat het vermogen het vrij te laten bedrag overschrijdt.
Appellante betwist dat het tegoed op de rekening van haar minderjarige zoon tot haar vermogen behoort en voert aan dat zij daar niet over kan beschikken. Ook stelt zij dat toepassing van het gelijkheidsbeginsel in haar situatie niet is nageleefd.
De Raad oordeelt dat het saldo van de bankrekening van het minderjarige kind meetelt bij het vermogen van appellante, omdat zij als voogd redelijkerwijs over dat tegoed kan beschikken. Haar stelling dat noch zij noch haar kind zeggenschap hebben over de rekening is onvoldoende onderbouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan concrete gegevens.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en blijft de terugvordering in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.