ECLI:NL:CRVB:2019:1535

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2019
Publicatiedatum
7 mei 2019
Zaaknummer
18-5 MPW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing hoger beroep militair invaliditeitspensioen wegens PTSS

Appellant was militair bij de Koninklijke Landmacht en werd in 2010 oneervol ontslagen. Hij vroeg in 2012 een militair invaliditeitspensioen aan wegens PTSS opgelopen tijdens uitzending naar Afghanistan. Na medisch onderzoek kende de staatssecretaris een pensioen toe met een invaliditeitspercentage van 23% en later 16%, waarbij alleen de PTSS als verergerend dienstverband werd erkend.

In 2016 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar gegrond voor cannabisafhankelijkheid, zonder verhoging van invaliditeitspercentage, en verder ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische adviezen voldoende waren en geen aanleiding bestond tot benoeming van een deskundige.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af. De Raad verwees naar een andere uitspraak waarin een deskundige was benoemd, maar stelde dat die situatie niet vergelijkbaar was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

18.5 MPW

Datum uitspraak: 25 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 november 2017, 17/248 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie, thans de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie (minister), is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister.
Namens appellant heeft mr. V. Dolderman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dolderman. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.L. Knoben. Na schorsing en verwijzing naar de enkelvoudige kamer is het onderzoek hervat op 14 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dolderman. Namens de staatssecretaris is niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was sinds 16 oktober 2006 werkzaam bij de Koninklijke Landmacht. Van november 2007 tot en met augustus 2008 is hij als militair uitgezonden geweest naar Afghanistan. Per 1 november 2010 is hij oneervol uit militaire dienst ontslagen.
1.2.
Appellant heeft op 11 december 2012 verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) die hij zou hebben opgelopen tijdens zijn uitzending naar Afghanistan. Naar aanleiding van dit verzoek is op
13 maart 2013 een Militair Geneeskundig Onderzoek ingesteld en is appellant onderzocht door verzekeringsarts E.E.P.J. van Hulten, waarna op 26 september 2014 een rapportis uitgebracht.
1.3.
Bij besluit van 24 november 2014 heeft de staatssecretaris appellant een militair invaliditeitspensioen toegekend, over de periode van 11 maart 2012 tot 13 maart 2013 berekend naar een mate van invaliditeit van 23% en vanaf 13 maart 2013 berekend naar een mate van invaliditeit van 16%. Voor de PTSS is een verergerend dienstverband aanvaard. Voor de bij appellant vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis, de ADHD, het misbruik van alcohol en de alcoholafhankelijkheid is geen dienstverband aanvaard. Verder is geconcludeerd dat medisch gezien nog geen sprake is van een stabiele eindtoestand.
1.4.
Bij besluit van 30 november 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris onder verwijzing naar de commentaren van bedrijfsarts M.S. Parlevliet van 1 september 2016 en verzekeringsarts J.H.G. Lankhorst van 8 november 2016 het bezwaar tegen het besluit van
24 november 2014 gegrond verklaard in zoverre dat dienstverband wordt aanvaard ten aanzien van cannabisafhankelijkheid zonder dat dit een verhoging van de mate van invaliditeit oplevert. De staatssecretaris heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de staatssecretaris zich op het medisch advies van verzekeringsarts Van Hulten en de commentaren van bedrijfsarts Parlevliet en verzekeringsarts Lankhorst mocht baseren en dat appellant geen medische gegevens heeft ingebracht die reden geven de door de verzekeringsarts gemaakte inschatting van zijn mate van invaliditeit in twijfel te trekken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het namens appellant in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van zijn beroepsgronden. De rechtbank heeft de beroepsgronden uitgebreid besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de aan die uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. De Raad voegt hier nog aan toe dat de verwijzing van appellant ter zitting naar de uitspraak van 14 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:579) hem niet kan baten. In deze zaak heeft de staatssecretaris het verzoek om een militair invaliditeitspensioen afgewezen, is geen verband met de uitoefening van de militaire dienst aanvaard voor de psychische aandoening en heeft de Raad aanleiding gezien om een psychiater te benoemen als deskundige. Daarvan is in het geval van appellant geen sprake. Het ter zitting gedane verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen.
4.2.
Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2019.
(getekend) H. Benek
(getekend) S.H.H. Slaats
md