ECLI:NL:CRVB:2019:1621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bedrijfskredietaanvraag wegens onvoldoende levensvatbaarheid onderneming
Appellant exploiteert sinds januari 2017 een eenmanszaak gericht op reparatie en verkoop van smartphones en tablets en vroeg op 19 april 2017 bedrijfskrediet aan op grond van het Bbz 2004 om vanuit een bedrijfspand te opereren.
Het college vroeg advies aan KplusV, dat concludeerde dat de onderneming niet levensvatbaar is vanwege onvoldoende ondernemerscapaciteiten, een beperkt marktonderzoek en een gebrek aan onderscheidend vermogen in een hevige concurrentiemarkt. Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college zich mocht baseren op het deskundigenadvies en appellant onvoldoende concrete en objectieve stukken had overlegd om dit advies te weerleggen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het advies onjuist en onzorgvuldig was, maar kon dit niet met concrete gegevens onderbouwen.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van KplusV terecht was en dat de door appellant overgelegde facturen na het besluit geen invloed konden hebben op de beoordeling van de levensvatbaarheid op het moment van het besluit. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor bedrijfskrediet wegens onvoldoende levensvatbaarheid wordt bevestigd.