ECLI:NL:CRVB:2019:1623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WGA-loonaanvullingsuitkering en mate arbeidsongeschiktheid
Appellante viel sinds november 2010 uit wegens rugklachten en ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 48,94% en handhaafde de loonaanvullingsuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend, mede op basis van medische brieven van haar neuroloog. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV adequaat op deze medische stukken had gereageerd en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen of een urenbeperking.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante. Omdat appellante geen nieuwe arbeidskundige gronden aanvoerde, werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.