ECLI:NL:CRVB:2019:167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig pedagogisch medewerker kinderopvang, vroeg een WIA-uitkering aan nadat zij zich ziek meldde met psychische klachten. Het UWV wees de uitkering af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, gebaseerd op medische rapporten en een functionele mogelijkhedenlijst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren dat haar beperkingen werden onderschat. Ook de door appellante overgelegde nieuwe medische informatie leverde geen nieuwe inzichten op die het oordeel konden wijzigen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, onder meer over medicatiegebruik en het fenomeen Raynaud, maar de Raad concludeerde dat deze gronden onvoldoende waren om het besluit te herzien. De functies die het UWV als passend aanmerkte, bleven medisch geschikt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.